Welkom

Op 30 maart 1633 besloot de magistraat van Franeker in overleg met het zakkendragersgilde om het oude tol- of taxhuis, staande en gelegen over de voormalige vaart naar Roptazijl af te breken en een nieuw tolhuis te bouwen bij de brol, gelegen voor de haven of overslagplaats aan het plat (tegen-woordig Zilverstraat Oost-zijde).

Het oude tolhuis was over de vaart gebouwd (te zien op een kaart uit 1598 van Pieter Bast).

Het moet toen al behoorlijk oud geweest zijn, want rond 1415 was die vaart al niet meer in gebruik.

Door de aanleg van de bolwerken rond Franeker tussen 1412 en 1415 liep de vaarroute naar Roptazijl nu via de Froonacker en de stadsgracht.

Het graan mocht alleen via de noordelijke ingang van de stad ingebracht worden en uitsluitend door ingezworen graandragers gedragen worden. Hiermee werd echter steeds meer gerommeld, waardoor de magistraat op 12 september 1557 een mandaat uitvaardigde, waarin de regels werden vastgesteld, dat de dragers voortaan met twee stuivers per last betaald moesten worden en niet meer met bier of kwa-lijke dranken.

Verder kwamen ze in dienst van de stad en moesten verantwoording afleggen aan de magistraat van Franeker en aan de gildemeesters.

Het Korendragershuisje, ook wel zakkendragershuisje of zakkendragerspypke genoemd, werd gebouwd in laat-renaissance-stijl in 1634 voor het Gilde van Koren- en zakkendragers en is gerestaureerd in 1924 en in 1975.

De twee-trapsgevel is van bak- en zandsteen.

Opvallend is, dat de houten vloer bestraat is met „Friese geeltjes“, gelegd in „gestabiliseerd“ zand.

De banken, waarop de korendragers menig uurtje slapend hebben doorgebracht, zijn rond 1790 gemaakt van Amsterdams grenen (windgezaagd).

Behalve de datumstenen is er in de gevel een korenmeter -drager afgebeeld die een wan draagt (schaal waarmee de korrels gezuiverd werden), waarschijnlijk met een inhoud van een schepel (25 liter, oude maat, in later tijd met 1/4 hectoliter gelijkgesteld).

De korenmeter bepaalde en noteerde de aangevoerde hoeveelheden en de te betalen accijns.

Opvallend is dat het huisje als het ware uit het water „oprijst“, de karakteristieke overkraging versterkt dat effect.

Overigens is dit boogje in de loop der tijden vaak veranderd, op oude afbeeldingen is de overkraging ook te zien als trapsgewijze opbouw met natuursteen. Ook zijn de ramen veranderd, zijn ze nu met houten kozijnen uitgevoerd, ooit zijn ze van gietijzer geweest.

(In de negentiende eeuw waren ze van gietijzer en glas, een soort stalraampjes. Men had de vulling van de ontlastingsbogen uitgebroken, waardoor er poortvormige vensters ontstonden. De huidige kozijnen zijn een reconstructie van de originele zeventiende-eeuwse

vensters)

Ook de trap is in de loop der tijden vaak gewijzigd, tot aan de laatste restauratie onder andere

uitgevoerd met ronde ijzeren krul-leuningen.

Verder is er de gevelsteen met de letter T.A.K., waarschijnlijk de beginletter van Tol, Accijns en Korenmeten (Tol kan ook nog Tax zijn). De zakkendragers werden weliswaar een gilde genoemd, maar waren dit eigenlijk niet. Wel stonden de ze onder ede en werden betaald door de stad. De belangrijkste taken bestonden uit het vervoeren van aangevoerde granen en peulvruchten. Ze voerden ook de controle daarop uit.

De zakkendragers bewezen de stad ook andere diensten, zoals „het oppakken van deugnieten“ en het bestrijden van brand.

Het tentoongestelde vaandel lijkt hieraan te herinneren; aan de ene zijde staat een Korendrager afgebeeld – gelijkend op de gevelsteen – op de andere zijde een gezicht op de stad Franeker met een „brandweerwagen“.

In het verleden was er vaak sprake van sociale onrust. In mei 1672 bijvoorbeeld, brak er een wilde staking uit omdat de wakers en dragers meer loon wilden. Er leek oorlog op komst te zijn en ze wilden niet meer voor het loon van drie guldens per maand werken. Nadat ze op het stadhuis ontboden waren en hen een poene (straf) in het vooruitzicht was gesteld door de magistraat, bonden de zakkendragers in en gingen weer aan het werk.

Minder vredig verliep een staking van rioolschoonmakers, die door niemand minder dan P. J. Troelstra in 1892 was aangemoedigd. De burgemeester zette korendragers in om het werk te doen, maar de

stakers bezetten het stadhuis. De burgemeester telegrafeerde naar Leeuwarden om hulp van het leger en de staking werd wreed neergeslagen.

Over de datum van opheffing van het gilde verschillen de meningen; G. v.d. heide schrijft 1902 en

H. Algra en G. Groen schrijven beide 1916. Algra geeft bovendien de datum van 28 september 1916 als de dag van het raadsbesluit.

Koren meten en wegen

De oudste korenbeurs van Friesland was in Bolsward en daarom werd er na 1504

(Saksische reorganisatie) aanvankelijk uitsluitend met de Bolswarder maat gemeten. Op den duur ontstond er echter een chaotische situatie omdat allerlei verschillende maten gebruikt werden, vooral die van Amsterdam.

In een ver verleden werd er bij boeren thuis gemeten. Men gebruikte een plat-cilindervormige maat van een schepel, zoals die in de gevelsteen van het korendragershuisje te zien is.

Drie schepel was een „sek“ (zak) van ongeveer 75 liter.

Als de hele partij was gemeten, werd uit een van de zakken een monster genomen, dat in de

monsterzak werd gedaan. De boer ging met die „monsterzak“ naar de korenbeurs waar de handel plaatsvond.

Ook was het gebruikelijk dat de koopman de „monsterzak“ meekreeg om bij de groothandelaar te horen wat de geboden prijs was.

Nadat de koop was gesloten, ging het graanmonster over in handen van de koopman voor controle bij de aflevering. Het vervoer van de partij ging met het „fearskip“ ofwel het beurtschip, maar na het inladen van het graan was de boer nog niet van zijn verantwoordelijkheid af.

Wanneer de lading op de plaats van levering aankwam, verscheen eerst de pakhuisknecht om na te  gaan of de partij aan het monster voldeed. Was de partij accoord verklaard, dan werden de korenmeters, en -wegers opgeroepen, van hogerhand aangestelde „gezworenen“, mensen die de taak hadden de partij te meten en te wegen. Zij moesten nagaan of de „mjitte“ (maat) goed was en hoeveel het nettogewicht per hectoliter bedroeg.

De werkzaamheden gingen dan als volgt: De korendragers die de wacht hielden in het Korendragershuisje (van zes tot zes uur uur en ‘s zomers van zonsopgang tot zonsondergang) werden opgeroepen en gingen met een kroade (kruiwagen) naar het schip. Daar werd een kleed uitgespreid en hierop werden twee zakken (dus ongeveer 150 liter) uitgestort. Tot deze hoeveeldheid bleef de meting en weging beperkt.

Deze monsterhoeveelheid werd als volgt behandeld: drie keer werd er een dubbele schepelmaat mee gevuld, die in afzonderlijke zakken geleegd werd.

Kon er geen behoorlijke hoeveelheid meer worden opgeschept, dan liet men het laatste graan direct vanuit het kleed in de maat lopen. Was er over, dan werd dit teveel nauwkeurig gemeten en gestort in de eerstgemeten en reeds aan de kant gezette halve hectoliter, terwijl de „oermjitte“ (overmaat) werd vermeld op het „mjitbriefke“, (meetbriefje of meetcedel).

Was er te weinig, dan werd dit aangevuld uit de halve hectoliter, die het eerst aan de kant was gezet en als „ûndermjitte“ op de meetcedel vermeld.

Zowel in geval van onder- als van overmaat waren de twee laatsgemeten dubbele schepels precies vol. Deze inhouden werden gezakt en gewogen. Hoe meer gewicht, hoe beter het graan, was de stelregel.

Ondanks de schijn van nauwkeurigheid, ging er ook in Franeker wel eens wat mis.

Het kwam voor dat boeren te weinig kregen betaald, waar dan de koopman wel bij voer.

Was een partij eenmaal door de korendragers gezakt en gemeten, dan was er geen beroep meer mogelijk.

Vanaf 1737 moesten de graanmaten in Friesland geijkt worden en niet meer, zoals vroeger, vergeleken worden met de stadsstandaardmaten.

Een eigenaardig verschijnsel was, dat leeuwarden wel de kleinste graanmaten had, maar niet de lichtste vulling.

Dat was mogelijk omdat men daar zo sluw was de overheid (elf steden en dertig grietenijen), voortdurend aan het lijntje te houden.

De daaruit voortvloeiende trage besluitvorming is spreekwoordelijk bekend geworden in de uitdrukking „op z’n elf-en-dertigst“.

Noodgedwongen heeft Franeker de korenmeetmethode van Leeuwarden overgenomen.

Namelijk niet twee, maar vier zakken werden gestort en gemeten. Deze vier zakken waren gelijk aan twaalf schepel en deze werden alle gewogen. Nogmaals bleek dat de boeren in voorgaande tijd tekort waren gekomen.

Overigens werd sinds 1761 door de staten van Friesland een gemeentelijke ijker verplicht gesteld.

Alle steden hebben dan al van oudsher een ijker, behalve blijkbaar Franeker, want Job Pietersz. Busger verklaart twee jaar later doodleuk dat hij geen modellen of standaardmaten heeft, nergens van weet en hierop nooit is aangesproken.

Hij krijgt de opdracht de noodzakelijke modellen aan te schaffen. Nu werd er vóór die tijd ook wel geijkt (gewichten), want er zijn gewichten bekend uit de 17e eeuw met de Franeker klok.

Dit werd gedaan door stadsijkers, die onder toezicht stonden van het plaatselijk bestuur.

Vanaf 1783 is Pieter Klaases Reitsma ijker van Franeker, hij ijkte om de twee jaar op de oneven jaren. Vaten werden jaarlijks geijkt, evenals nieuwe maten en gewichten.

De ijktekens van 1586 tot aan 1815 zijn te vinden in het boek van R. A. Holtman: „Meten en wegen in Friesland“, pagina 49.

De functie van het Korendragershuisje was meer wachtlokaal en opslag van meet- en weegmaterialen, dan dat er daadwerkelijk koren in gesjouwd of getild werd.

Op het einde van de negentiende eeuw had de „commandeur“ van het gilde lieftst 83 man aan meters, wegers, tellers en dragers onder zich.

In het jaar 1937 waren er nog twee korenmeters in gemeentedienst (Koster en Cuperus).

Volgens oud-graanhandelaar A. Verduyn (1920) hebben die twee korenmeters ook nog tot in de oorlog (1940-1945) dienst gedaan.

Verduyn weet verder nog dat in de dertiger jaren een leveringsplicht werd ingesteld voor tarwe.

De oogst werd afgeleverd in de Franeker graanpakhuizen, zoals bijvoorbeeld „Arauna“ op de Zilverstraat en „Poolshof“ op de Froonacker. (in de dertiger jaren bekend als het

„Ortepakhuus van Pars“.

Het graan werd gezakt in zakken van vijftig kilo en steeksproefgewijs gecontroleerd. Gecontroleerd inderdaad door beëdigde korenwegers die in het korendragershuisje door de pakhuishouder werden gewaarschuwd om te komen.

De pakhuishouders werden betaald voor inname, schonen en drogen, opslag en aflevering.

De tarwe werd per schip weer afgevoerd en met name in de oorlog bleek er nogal wat gewicht te „verdwijnen“.

De Korenbeurs aan het Noord in Franeker was in het verleden zowel koren- als aardappelbeurs.

Op maandag werden de landbouwproducten (op basis van een monster) verhandeld. Verder werden er veel zaken gedaan door verzekeringsmensen, handelaren in granen, veevoer en kunstmest. Jarenlang werden er de maandnota’s in contanten betaald.

 

Dagelijks geopend

Deze kaart is gratis verkrijgbaar in het Korendragers-huisje. 

Een gift is uiteraard welkom

Geluidfragment

Koren

dragers

huisje

WIKIPEDIA-INFO:

http://nl.wikipedia.org/wiki/Korendragershuisje

Het huisje voor korendragers en zakkendragers werd in 1634 gebouwd. Het pand met maniëristische elementen heeft een zadeldak en een boven de gracht overgekraagde zijgevel. De halsgevel is voorzien van klauwstukken met voluten. Op de gevel zes muurankers en vijf gevelstenen: een korenmeter die een korenmaat draagt met de inhoud van een schepel, de goudkleurige klok op blauw veld is het oude stadswapen van Franeker, een gevelsteen met de letters TAK (Tol, Accijns, Korenmeten), een gevelsteen met het woord Anno en een gevelsteen met het jaartal 1634. In 1937 waren er nog twee korenmeters in gemeentedienst.[1] Het gebouw werd in 1924 en in  1975  gerestaureerd.